Doofheid

Als er wordt gesproken over doofheid dan ben je niet, of erg slecht, in staat zijn om te horen. Doofheid kan het gevolg zijn van een ziekte of een ongeval, maar ook erfelijk zijn. Erfelijke vormen van doofheid zijn onder andere:

  • het syndroom van Waardenburg,
  • het syndroom van Usher,
  • de ziekte van Buchem.

Er zijn families waarin erfelijke doofheid al verschillende generaties voorkomt.

Cijfers over doofheid

Van één op de twintig dove kinderen zijn beide ouders eveneens doof. Ook één op de twintig kinderen die doof zijn, heeft één dove ouder. In gebieden die vrij geïsoleerd zijn van de buitenwereld, of in sommige geloofsgemeenschappen kan relatief meer doofheid voorkomen (meestal een direct gevolg van inteelt).

Doofheid als gevolg van een ziekte

Doofheid kan het gevolg zijn van een ziekte, zoals:

  • oorontsteking,
  • hersenvliesontsteking,
  • rodehond (tijdens de zwangerschap).

Doofheid als gevolg van andere factoren

Doofheid kan eveneens het gevolg zijn van een aantal andere factoren, onder andere:

  • vergiftiging door geneesmiddelen,
  • de aanwezigheid van een tumor,
  • een afwijking van het trommelvlies (tympanosclerose),
  • een hoge leeftijd,
  • vaak, of langdurig, blootgesteld zijn aan harde geluiden.

Leeftijd en gehoorvermindering

Er is een voortschrijdend verlies van de mogelijkheid om hoge frequenties te kunnen horen naarmate dat je ouder wordt. Dit fenomeen is ook bekend als presbyacusis. In de regel begint dit proces van gehoorvermindering al als je een jongvolwassene bent, op dat moment zul je er echter nog weinig of geen hinder van ondervinden tijdens het volgen van gesprek.

Verschillende vormen van doofheid

Doofheid kan onder worden verdeeld in twee vormen, te weten:

  • prelinguale doofheid: een al bij geboorte aanwezige, of op erg jonge leeftijd ontstane (voor de derde verjaardag) vorm van doofheid. Door prelinguaal doven wordt gebruikgemaakt van een eigen gebarentaal die qua grammatica verschilt met gesproken taal.
  • postlinguale doofheid: een doofheid die pas op latere leeftijd is ontstaan (na je derde levensjaar). Ook deze doven maken gebruik van een gebarentaal (deze is echter anders dan d e gebarentaal van prelinguaal doven. Postlinguaal doven voelen zich, in vergelijking tot de prelinguaal doven, in de regel meer geïsoleerd van de mensen die wel kunnen horen.
  • Hoortoestellen: als het binnenoor schade heeft opgelopen dan is herstel in de regel onmogelijk. Wel kun je, bij gedeeltelijke doofheid of slechthorendheid, een (sterk) hoortoestel gebruiken. Dergelijke toestellen zullen het geluid namelijk versterken voordat het je oor bereikt. Het nog aanwezige restgehoor kun je dan eventueel nog genoeg geluid waarnemen om een gesprek te kunnen verstaan.
  • Cochleair implantaat: wanneer je middenoor niet meer werkt, maar de gehoorzenuw, de auditieve cortex en het auditieve geheugen nog wel intact zijn, kan een cochleair implantaat (vaak afgekort als CI) een oplossing zijn. Meer dan 80 procent van alle jonge dove kinderen (tot 8 jaar) en maar 3 tot 5 procent prelinguaal dove oudere kinderen en volwassenen hebben een dergelijk implantaat. Bij 30 procent van zogenaamde plots- en laatdoven is een cochleair implantaat geïmplanteerd. Al vanaf de zeven maanden kan een cochleair implantaat aan worden gebracht.
  • EAS: EAS is een hybride systeem dat bestaat uit een hoortoestel (voor de lage tonen) en een cochleair implantaat. Op die manier kan een optimaal resultaat worden bereikt bij zware- tot ernstige vorm van doofheid.

Hulpmiddelen bij doofheid

Vandaag de dag kun je als dove dankzij internet vrij eenvoudig met anderen communiceren, zoals via diverse vormen van instant messengers of via e-mailverkeer. In het verleden kon je alleen via een fax of een speciale teksttelefoon met anderen in contact treden. Door de opkomst van de mobiele telefonie is ook sms gaan behoren tot de communicatiemiddelen voor doven.

Door de snellere telefoon- en internetverbindingen kunnen prelinguaal doven onderling communiceren in gebarentaal. Zij doen dit via een webcam of een beeldtelefoon.

In huis kun je als dove gebruikmaken van een wek- en waarschuwingssysteem (dat werkt met flitslampen en/of een trilontvanger) of van een zogenaamde signaalhond. Zowel de hond als de waarschuwingssystemen kun je inzetten om aan te geven als bijvoorbeeld de rookmelder, deurbel, de wekker of de telefoon gaat.

Verder kun je als dove tot op zekere hoogte leren spraakafzien (in de volksmond vaak liplezen genoemd). Dit valt echter niet mee omdat het gesproken Nederlands 40 verschillende klanken gebruikt. Het onderscheid tussen deze klanken is doorgaans goed te horen, maar 10 klanken zijn echter duidelijk van de mond af te lezen. Sommige woorden zijn daardoor dus moeilijk te onderscheiden via het spraakafzien. Ongeveer 25 procent van deze woorden, kan soms duidelijk worden uit de context van het verhaal. Maar toch zal het resterende 50 procent van de overige woorden moeten worden gegokt waardoor het spraakafzien als erg lastig en vermoeiend wordt ervaren.