Waarom competitieve sporten niet altijd goed zijn

waarom-competitieve-sporten-niet-altijd-goed-zijn.jpg

Competitieve sporten dagen je uit om het beste uit je zelf te halen. Je bent gemotiveerd en je hebt plezier. Maar er is ook een keerzijde aan al die competitie, de druk kan te hoog worden en je hebt meer kans op het krijgen van sportblessures. Lees hier waarom je voorzichtig moet zijn met te veel competitiviteit.

Je zet te veel druk op jezelf

Tijdens competitieve sporten verbeter je je atletische prestaties en leer je samenwerken met teamgenoten. Als winnen belangrijker wordt dan spelen verdwijnt het spelplezier. Wat vroeger een leuk en ontspannend spel was wordt nu een stresserende bezigheid. De groter wordende druk om te winnen geeft je stress en dat is echt niet de bedoeling.

Je hebt minder zelfvertrouwen

Als je dan toch verliest of een fout maakt voel je je slecht en krijgt je zelfvertrouwen een fikse deuk. Zelfs spelers die vaak winnen kunnen hun spelplezier verliezen door de druk die ze ervaren.

Je hebt een grotere kans op sportblessures

Tijdens competitieve sporten wordt vaak extra getraind. Dat lijdt tot een toename in sportblessures en verhoogt de kans op een burn-out. Door de intensieve competitiviteit kunnen spelers spelregels negeren, teveel van hun lichaam vragen en verder spelen als ze pijn hebben.

Je wil niets anders proberen

Het is belangrijk om je in te zetten als je een competitieve sport beoefend. Als je hier te extreem in opgaat kan je de zin verliezen om ook eens een andere sport uit te proberen. En dat is slecht voor je ontwikkeling. Door verschillende sporten uit te proberen verbreed je je perspectief en blijf je gezond.

Een slechte attitude

Winnen is het belangrijkste doel in competitieve sporten. Maar als het niet gemonitord wordt kan de drang om te winnen omslaan in een ‘winnen ten koste van alles’ mentaliteit. Deze mentaliteit kan valsspelen in de hand werken.